|
Geschiedenis van de watermolen van Geulle
(Door Hans de Kroon)

Naam: Molen van Hulsen/Onderste Molen.
Adres: Snijdersberg 31, Geulle.
Rad: 5,4 m.
Bouwjaar: ca. 1850.
Type: bovenslag watermolen (koren).
Eigenaar: ------
Ligging: Molenbeek.
Geschiedenis
De watermolens van Geulle werden de Bovenste en de
Onderste Molen genoemd. De Bovenste Molen lag globaal
gezien op het plateau tussen de gehuchten Moorveld en
Snijdersberg in het Geulse bos (sectie A 675) en de Onderste
Molen op Hulsen aan de voet van het plateau bij de spoorlijn.
Kadastraal werden beide molens op Hulsen gesitueerd. De
Bovenste Molen was voor de Franse Tijd de banmolen van
de heerlijkheid Geulle. Op het einde van de 19e eeuw
wordt bij niet meer vermeld en is waarschijnlijk in die tijd
afgebroken. Het was een bovenslagmolen, die bij de
peilvaststelling in 1854 werd aangedreven door een waterrad
met een middellijn van 4,00 m. en een breedte van 0,71 m.
Zowel de Bovenste als de Onderste Molen ontvingen het
water van een beek, die op de berg zijn oorsprong heeft en
in de 19e eeuw de Walsenbeek werd genoemd, later kreeg
hij de naam Molenbeek.
Vanouds werden de molens ook de grafelijke molens
genoemd. Gedurende bijna drie eeuwen vererfden zij met
het kasteel van Geulle en een groot aantal landgoederen in
adelijke families.
Geulle was een heerlijkheid waarmee Wolther van
Hoensbroek in 1560 werd beleend. Hij was Heer van Geulle
en Bunde. In de mannelijke lijn stierf deze tak, die een zijtak
was van de latere rijksgraven van Hoensbroek, uit. In 1785
kwamen de goederen van Geulle door vererving in de familie
Hoen, die op het kasteel Schaloen in Oud-Valkenburg
woonde. Philipine trouwde met Ladislas de Villers-Masbourg,
waardoor Schaloen in deze familie kwam. Haar jongere
zuster Theresia huwde graaf Adolphe De Hamal rentenier
in Luik, die in de jaren dertig van de 19e eeuw als eigenaar
van de molens wordt genoemd. Zij verkochten hun goederen
in Geulle (ruim 170 kadastrale nummers) in 1843 aan Emile
of Theodore Emile Antoine Joseph, graaf d'Oultremont, te
Warfusée in de gemeente St. Géorge (Noord-Frankrijk). In
1847 liet deze Belgische graaf het mooie kasteel van Geulle
afbreken. Alleen de voorbouw bleef over, bestaande uit
stallingen, remisen, wachtkamers en verblijven voor het dienstpersoneel.
Later werd dit gedeelte verbouwd en als woning
voor de rentmeester ingericht. Het gebouw kreeg later de
naam van "kasteel van Geulle".
De graaf overleed in 1851 in Warfusée. Twee jaar later vond
een successie plaats. Gravin Emilie Olympe Marie Antoinette,
één van zijn drie kinderen, gehuwd met Victor Joseph
Ghislain, baron van der Linden d'Hoogvorst, werd erfgename
van de kasteelgoederen in Geulle. Na haar dood kwam bij de
successie in 1878 de Bovenste Molen niet meer voor. Bij
deze successie werden Edmond, baron van der Linden
d'Hoogvorst, rentenier en grondeigenaar in Brussel, en zijn
zusters Marguerite Marie Josephine Chislaine, gehuwd met
baron de Loë, en jonkvrouwe Pauline eigenaren.
De Onderste Molen op Hulsen werd in dejaren 1878-1879
afgebroken en herbouwd, waaraan een gevelsteen boven de
voordeur herinnert. Bij de molen werd daarna tevens het
boerenbedrijf uitgeoefend.
In 1895 gaven de toenmalige eigenaren:
a. Vrouwe Marie (Duchesse) Louise Claire Ghislaine Emmanuelle Maret de Bassano,
hofdame
van de koningin van België,
wonende op kasteel te Bastin in de gemeente Resteigne,
weduwe van Edmond Emile Charles Antoine Ghislain,
baron van der Linden d'Hoogvorst, in eigennaam en als
voogdes van haar twee minderjarige kinderen Victor
Marie Antoine Ghislain en Louis Joseph Antoine Ghislain;
b. Vrouwe Marguerite Marie Josephine Ghislaine, barones
van der Linden d'Hoogvorst, echtgenote van Levin
Clément Marie Hubert, baron de Loë, grondeigenares,
wonende op het kasteel in Mheer;
c. Vrouwe Pauline Marie Caroline Ghislaine, barones van
der Linden d'Hoogvorst in Brussel,
volmacht aan Herman Joseph Vijgen, burgemeester van
Geulle (en rentmeester van de familie?), om hun goederen
in Geulle, waaronder het kasteel, ongeveer 80 ha landgoederen
en de nieuwe molen met huis, schuur, stal en erf openbaar
te laten verkopen. Op 22 januari van dat jaar ging notaris
J.J. Jessé uit Maastricht daartoe over. De goederen
werden in massa voor 241.000 gulden, na een eerste bod
van 220.000 gulden, toegewezen aan de hoogst biedende
Anna Maria Sophie Bauduin, wonende op kasteel Klein
Vaeshartelt in Meerssen, die door haar echtgenoot Paul
Francois Marie Hubert Brouwers was vertegenwoordigd.
Brouwers overleefde zijn echtgenote. Na zijn dood werd de
molen met aanhorigheden, waarvan hij onder andere het
vruchtgebruik had, na scheiding en deling in 1924
toegewezen aan Maurice of mr. Maurice Leon Marie Hubert
Brouwers, gehuwd met Marie Elisa Gelissen uit Beesel,
advocaat en burgemeester van Borgharen, en verder aan
Germaine, Jacques, die burgemeester van Noorbeek was,
en Hubert Brouwers.
In 1925 verkochten zij de watermolen
met aanhorigheden aan Pieter Leonardus Huntjens, getrouwd
met Helena Louwet. Hij werkte aanvankelijk bij de
Nederlandse Spoorwegen als voorman en na zijn huwelijk bij de
rentmeester Evers, die de uitgestrekte goederen van de
familie Brouwers beheerde. Een jaar na de koop kon
Huntjens de molen betrekken omdat er nog een lopend woonrecht was.
Na een werkzaam leven overleed Huntjens in 1966. De
meeste klanten van de molen waren enige jaren eerder
overgegaan op het gebruik van fabrieksmatig geproduceerd
veevoer. Sporadisch werd er daarna nog met de molen
gemalen.
Bij boedelscheiding en deling in 1963 werd de molen met de
boerderij aan de ongehuwde kinderen Elisabeth, Joseph en
Anna toegewezen, die in het ouderlijk huis bleven
samenwonen. De molen werd nog een paar jaar door Elisabeth
bediend. Joseph en Anna deden voornamelijk het werk op
de boerderij en het land. In het midden van de jaren zeventig
werden ook deze werkzaamheden beëindigd. Elisabeth
overleed in 1988 en Joseph in 1989. In 2003 werd de molen doorverkocht en ze
zal in de komende tijd worden gerestaureerd. De Onderste Molen of de watermolen van Geulle ligt in het
rechterdeel van een langgevel boerderij. Het middendeel is
het woongedeelte, het linkerdeel was de boerderij.
De molen wordt aangedreven door een bovenslagrad in een
ombouw, die met een lessenaarsdak op de kopgevel aansluit.
Het houten waterrad werd in de vorige eeuw enige malen
vernieuwd en vergroot. Bij de opname door de provinciale
waterstaat en de plaatsing van een peilschaal in 1854
bedroeg de middellijn 5.26 m. en de breedte 0.73 m. In
1890 bedroegen deze afmetingen respectievelijk 5,58 m.
en 1,00 m. Dit waterrad dateerde vermoedelijk van l878.
In 1900 werden het huidige ijzeren bovenslagrad (middellijn
5,40 m., breed 0.91 m.) en de vierkante smeedijzeren
molenas aangebracht. Het is het grootste bovenslagrad, dat
in de provincie Limburg bestaat.
Het gangwerk van gietijzer is vermoedelijk van oudere
datum en werd bij de vernieuwing in 1878 geplaatst. Het
bestaat uit een conisch aswiel met ijzeren tanden, dat de
koningsspil aandrijft. Het zich op deze spil bevindende
spoorwiel drijft de rondsels op de twee steenspillen aan. De
molen heeft een overbrengingsverhouding van 1:22,3.
Deze versnelling houdt in, dat het waterrad met zijn groot
aantal cellen een langzaam draaiend rad is, dat 3 tot 4
omwentelingen per minuut maakte.
Op de steenbedding ligt een koppel 17-er blauwe Duitse
stenen voor het tarwegemaal en een koppel 17-er kunststenen
voor het boerengemaal en voor het malen van bakrogge.
Beide koppels stenen zijn nog voorzien van de oorspronkelijke
achtkante houten kuipen.
De maalvloer ligt bijna een meter beneden de begane
grondvloer of het molenerf. Voor het hijsen van de zakken
van de begane grond naar de graan- of opslagzolder werd
gebruik gemaakt van een staande handlier met een houten
frame. Een enkele deur geeft toegang tot de molen.
Het water van de Molenbeek werd boven de molen verzameld
in een vergaarvijver van gemetselde mergelsteen omgeven
door een aarden wal. Daarop is de kanjel, voorzien van een
schuifje, aangesloten, die het maal- en loswater boven en
achter het waterrad brengt. Boven het rad bevindt zich in de
kanjel een bodemklep, die vanuit de molen kan worden
bediend. In geopende toestand valt het water in de cellen van
het rad, waardoor dit onder invloed van het gewicht van het
water in bedrijf komt. In gesloten toestand wordt het water
over het rad heen gevoerd en valt op enige afstand van de
molen uit de hoge kanjel in de beek. Een unieke situatie!
Bij overvloedige regenval kwam het voor, dat door de
Walsen- en de Renbeek zoveel water werd aangevoerd, dat
de vijver het niet meer kon opnemen. Er ontstonden
overstromingen, die het bedrijf en het woongedeelte door de
wateroverlast en de meegevoerde modder totaal ontredderden.
Door de aanleg van de spoorlijn naar Maastricht werden
Geulle en Hulsen gescheiden en kwam de molen direct
achter het hoogspoor te liggen. Op het einde van de 19e
en begin van de 20e eeuw kwam het voor dat het baanvak door het
water van de vele bronnen en het van de berg afkomende regenwater
werd ondermijnd, waardoor een passerende trein verongelukte.

Meer foto's van de molen vindt u hier.
|
 |