Laatste mutatie:

Leven in het huis van je laatste illusie

'De abdis en de zwerver; Marie Koenen en Felix Rutten en hun huwelijksjaren in Geulle', zo heet het boek van Adri Gorissen, journalist bij deze krant, over beide schrijvers. Dan voel je al een beetje nattigheid.

Z e zou eens moeten weten dat er een boek is geschreven over haar huwelijksjaren in Geulle. Marie Koenen zou boos worden, of heel erg verdrietig, maar ze zou het gelaten accepteren. Haar lot lag, als het lot van de personages in haar boeken, in de handen van God. Ze leek er vertrouwen in te hebben dat het bij haar wel snor zat. In haar laatste bundel dichtte ze in de slotstrofe van het gedicht De zang van het paradijs:

En door die poort, wijd open,
Zal ik naar Jezus lopen,
De Lelie die ik prijs,
Het hart van 't Paradijs.

Adri Gorissen hoopt over een aantal jaren zijn biografie over Marie Koenen (1879-1959) af te ronden. Op verzoek van het Marie Koenen Comité in Geulle belicht hij alvast de acht jaren die zij daar onder meer in een idyllisch gelegen huis heeft doorgebracht, tevens de periode dat ze getrouwd is met de dichter Felix Rutten (1882-1971). Koenen, die zich vaak ongelukkig voelt, heeft een paar minder goed verlopen vriendschappen achter de rug, als ze in 1919 aan dit veelbelovende huwelijk begint. Maar de verbintenis stelt zo teleur dat ze de woning met zijn weergaloze uitzicht op het Limburgse landschap het huis van mijn laatste illusie noemt. Ze wil later op geen enkele manier aan die periode worden herinnerd. Foto's waar ze samen met Rutten op staat, zijn niet meer te vinden. Na hun breuk in 1927 zijn ze waarschijnlijk stelselmatig vernietigd.

Marie Koenen, geboren in Den Bosch maar al op haar eerste verhuisd naar Maastricht, is vanaf haar vroegste jeugd bezig met taal. Geen wonder, als je vader de samensteller is van het befaamde, naar hem genoemde woordenboek. Haar eerste verhaal, gepubliceerd in de Katholieke Illustratie, schrijft ze uit onzekerheid nog onder pseudoniem. Het gaat over een jongeman die onder invloed van verkeerde vrienden zijn geld verzuipt en daar later spijt van krijgt. Op verzoek van Maria Viola, redacteur bij Van onzen Tijd, gaat ze voor dit literaire blad werken. Viola stimuleert haar tot een mooier taalgebruik.

Haar eerste roman, Het hofke, is volgens Adri Gorissen al een typisch Marie Koenen-boek. Het goede overwint uiteindelijk het kwade, en als de goeden iets wordt aangedaan, laten ze dat gelaten over zich heen gaan. Ze gaan ,,bereidwillig langs den lijdensweg'', zoals Koenen het noemt. Stilistisch kenmerkt het boek zich, zoals de meeste titels uit de enorme reeks die nog volgt, door veel landschaps- en sfeerbeschrijvingen in een heldere, voor iedereen makkelijk te lezen taal.

Koenens werk wordt neoromantisch genoemd. In Het verhaal van mijn verhalen (1949) schrijft ze over de mooie omgeving van Maastricht, ,,waar elk gehucht of boerenwoninkje, iedere boom en zelfs het kleinste meizoentje een sprookje was, waar elke weg, ook 't smalste voetpad tusschen de wilderozenstruiken door, naar weer een nieuwe en heel andere sprookjeswereld leidde''. Van zo iemand hoef je natuurlijk geen realistische verhalen te verwachten.

De kritiek reageert overwegend positief tot heel lovend. Maria Viola prijst haar ,,plastische kracht, haar rijk, innig en verbeeldingsvol realisme, haar ruim en rustig beeldende schilderachtigheid''. Maar Gerard Knuvelder schrijft in 1952 in het vierde deel van zijn standaardwerk Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde: ,,Deze ruim en rustig beeldende stijl, die in haar symbolische verhalen overigens niet zelden vaag en onbestemd wordt als gevolg van al te ver loszweven van de werkelijkheid, moet intussen ook doen vrezen dat moderner geslachten de grote bewondering van haar tijdgenoten niet in alle opzichten zullen delen.'' Denk eens in: vijf jaar eerder heeft Gerard Reve De avonden geschreven.

In 1916 ontmoet Marie Koenen de in Sittard geboren Felix Rutten. Hij is dan veel bekender dan zijzelf. Rutten is dichter, begenadigd spreker en - vooral na de ontbinding van het huwelijk - reisjournalist. Hij schrijft voor kranten reisverhalen die erg in de smaak vallen. Hij krijgt er zelfs onderscheidingen voor van onder meer de Franse regering. Uiteindelijk vestigt hij zich in Rome, en hoewel hij terug verlangt naar Limburg, durft hij er niet heen te gaan. Felix houdt misschien nog wel meer dan Marie en op een nòg romantischer manier van Limburg en zijn landschap. Hij kan het zijn leven lang niet verdragen dat de vooruitgang alles verandert. Al in 1914 schrijft hij de novelle Onder den rook der mijn, waarin hij de mijnindustrie kraakt, met zijn lelijke gebouwen, torens en afvalbergen die het landschap verkrachten.

De breuk tussen Koenen en Rutten heeft verschillende oorzaken. Er is natuurlijk een groot verschil in karakter. Marie ('de abdis') is tamelijk eenzelvig en gesloten, Felix ('de zwerver') joviaal en levenslustig. Hij maakt met iedereen in het dorp een praatje, zodat hij er heel populair is. Gorissen verwijst nog naar de merkwaardig intieme verhouding die Koenen en Rutten hebben met respectievelijk een vriendin en een vriend. Ook heeft Rutten een Noorse geliefde, die hij zelfs, nog tijdens zijn huwelijk met Koenen, de juwelen van zijn moeder schenkt. En dan zijn er nog Ruttens traditionele opvattingen over het huwelijk, zijn ongemakkelijke gevoel omdat Koenen meer geld binnenbrengt dan hij en zijn jaloezie op haar populariteit en succes.

Op zijn eigen poëzie wordt door de kritiek verdeeld gereageerd. Er is zeker ook lof. Maar Viola spreekt al vroeg van grove en bonte versmuziek. De genadeslag krijgt hij in de jaren 1923-24 van Gijs Bertels, die onderzoekt hoe de roomse kritiek in de voorbije jaren heeft gereageerd op de katholieke literatuur. Ruttens gedichten zijn volgens hem ,,geïnspireerd op het vulgairste heiligenprentje''. De ijdele Rutten is hevig gekwetst. Wat zal het hem hebben gestoken dat zijn vrouw door de kritiek belangrijk wordt genoemd, of zelfs de belangrijkste figuur der hedendaagsche katholieke literatuur.

Haar roem is terecht, zo maakt Gorissen duidelijk, en dat mag je de grote verdienste noemen van zijn boek. Als bekend wordt dat zij en Rutten gaan trouwen, heeft literair Nederland hoge verwachtingen. Maar ze stimuleren of helpen elkaar niet. Rutten interesseert zich niet eens voor het werk van Koenen. Gorissen veronderstelt dat zij zonder dit stagnerende huwelijk zou zijn doorgegroeid en misschien wel een echt grote schrijfster zou zijn geworden. Nu haalt de tijd haar in. Ze bezingt de katholieke waarden en het bronsgroen eikenhout nog als een nieuwe literatuur zich aandient, die van Wolkers, Hermans en Reve. ,,Meer en meer begin ik te begrijpen in deze tijd niet meer thuis te horen'', stelt ze dan zelf vast.

 

Adri Gorissen - De abdis en de zwerver; Marie Koenen en Felix Rutten en hun huwelijksjaren in Geulle. Uitgever: Marie Koenen Comité Geulle, 172 blz., geïll. ISBN 90 8102 022 6. Prijs 12,50 euro. Verkrijgbaar bij de kantoren van de Media Groep Limburg en de boekhandel.

 


©Copyright 2005 Dagblad De Limburger. Alle rechten voorbehouden.
Met toestemming overgenomen.

Dagblad De Limburger

 

 
Copyright © 1999-2008. 'Groeten uit Geulle' is een uitgave van de Heemkundevereniging Gäöl.