Heemkundevereniging Gl - Sjakel augustus 2002
 
 


De Sjakel
Augustus 2002

Geulle in vroeger tijden.
47. De schepenbank: De secretaris en gerichtsbode.

Ook de schepenbank van de heerlijkheid Geulle bestond uit een (luitenant)voogd, een schout en 7 schepenen. Zij hielden zich, tot de komst van de Fransen in 1796, bezig met de rechtspraak in en het bestuur over ons dorp.
Dit keer wil ik iets meer vertellen over de secretaris en de gerichtsbode van de schepenbank.

1. De secretaris.
De secretaris was een van de zeven schepenen die al het schrijfwerk van de schepenbank verzorgde. Slechts enkele namen van ambtenaren zijn in de archieven van Geulle gevonden:
Johannes Rivius. Deze was in 1567 ook secretaris van de schepenbank van Elsloo. Hij woonde waarschijnlijk in Geulle en had de kruinschering ontvangen, maar was geen priester. Hij werd “meester Jan” genoemd.
Van 1666 tot 1685 en ook in 1699 was Isaeck Spitweck secretaris. Hij was intendant van de prins van Oranje.
In 1725 was Mathieu Brull secretaris. Hij overleed op 11-12-1744. In 1745 volgde zijn zoon Mathieu Brull junior hem op.
Op 19-7-1792 werd ene J. Casaux banksecretaris. Tot 1795 bleef hij dit werk doen, dus tot kort voor de komst van de Fransen onder Napoleon. Bij zijn aanstelling werd nog de eis gesteld dat de kandidaat van de ware christelijke gereformeerde religie moest zijn.
Om zijn ambt goed te kunnen uitoefenen moest de secretaris van de schepenbank uitstekend op de hoogte zijn van de verordeningen en de costuymen. Dit waren de eeuwenoude rechtsregels op basis waarvan recht werd gesproken. (Zie aflevering 44)
Vele secretarissen van de schepenbank hadden een mooi, sierlijk en duidelijk handschrift. Voorbeelden hiervan zijn in de archieven terug te vinden. Voor de rechtspraak maakten zij hun aantekeningen in de zogenaamde rolle of schepenregisters. Ook hielden deze ambtenaren de overdracht- en gichtregisters bij.
Na de komst van de Fransen in 1795 verdween het centrale bestuur van de schepenbank. In de plaats daarvan kwam de (regionale) rechtbank en daarnaast het gemeentebestuur. De griffier ging de zaken van de rechtbank noteren en de gemeentesecretaris de zaken van het gemeentebestuur.

2. De gerichtsbode.
Bij iedere schepenbank hoorde een gerichtsbode. Deze ambtenaar zorgde voor de besteldienst, de dagvaardingen, de afkondingen, de aanplakkingen op de deur van de (Sint Martinus)kerk en het arresteren van personen die van een misdaad verdacht werden. Bij dit laatste kon hij de hulp van de schutterij inroepen.
In de archieven van de schepenbank van de heerlijkheid Geulle zijn maar een paar namen van gerichtsboden gevonden.
Willem Vullaers vervulde die functie in 1573. Ene Rijckelt van Reymersdael was daarna gerichtsbode.
In 1709 was Peter Coenen bode van de schepenbank. Mogelijk had hij vijanden, want in 1706 brandde zijn huis af. Omdat men vermoedde dat er opzet in het spel was, werd een beloning van 100 gulden uitgeloofd om zo de dader te achterhalen.
Van 1722 tot 1733 was Jan Hendrik Offenweert gerichtsbode. In 1761 en 1764 wordt Christiaen van Offenweert als bode genoemd. Van 1788 tot 1796 was dat Gerrit Janssen van de Snijdersberg. Daarna kwamen de Fransen onder Napoleon en hield de schepenbank en dus het oude bestuur op te bestaan.
Uit 1777 is een rekening bewaard gebleven welke over de bezoldiging van de gerichtsbode gaat. Deze kreeg indertijd ruim 184 Hollandse guldens. Ruim de helft hiervan was als beloning bedoeld, de rest voor de kleding en voor het geweer plus ander wapentuig.
Naast de gerichtsbode had men indertijd ook een veldbode of veldwachter, dus een plaatselijke politie agent.
Van veldbodes of veldwachters van voor de Franse revolutie zijn maar drie namen gevonden: Jan Lemmens, Jan Thijssen en Pieter Maasssen. Het valt op dat dit alledrie typisch Geulse achternamen zijn.

Archie Varis

Bron: Uit Geul’s verleden (1926).



Het dorp van Anneke Huntjens

Geulle had net zo goed in Zwitserland kunnen liggen. Een agrarisch plaatsje met zijn boeren cultuur, binnen luttele jaren sociaal veranderd door de moderne tijd.
Het ging ten gronde aan de schaalvergroting. Ook Geulle had een eeuwen oude agrarische cultuur die echter door het vliegveld en de industrie in de directe nabijheid verloren is gegaan. Zo waren er in 1930 pas twee auto`s in het dorp. Iedereen kende de autonummers t.w.: P 173 en P 5022. De P stond voor de provincie Limburg.
Er zijn “bergen” tot 85 meter hoog boven N.A.P. en meer dan tien dalen en duizeling wekkende diepe kloven zoals het Maasdal dat nog altijd door toeristen wordt bewonderd. Onze machtige Molenbeek ontspringt hier als een klein bergbeekje. De massieve huizen van veldbrandstenen schijnen voor de eeuwigheid te zijn gebouwd. Vlak na de eerste wereld-oorlog leefde het dorp Geulle met ca. 2000 inwoners als een gesloten gemeenschap. Bijna iedereen was familie van elkaar. Iedereen had enkele schapen, koeien of een geit. Anderen hadden een werkpaard op stal staan. Twee maal per dag werd drinkwater bij de waterput of bij de talrijke waterbronnetjes met een juk gehaald voor mens en dier. Het dorp geurde naar vers hooi, mest en brandend elzenhout want de huizen werden met houtkachels verwarmd.
In de café`s (deze waren er legio in die tijd) heerstte een druk sociaal. De plaatselijke harmonie (toen nog fanfare) repeteerde wekelijks in haar clublokaal en speelde bij feestelijke gelegenheden, zoals bij de jaarlijkse sacraments-processie of bij een 50 of 60-jarig huwelijksfeest. Op het uiteinde van het dorp staat nog steeds de middeleeuwse toren waar drie keer een nieuwe kerk tegenaan gebouwd is, daarom heen het kleine kerkhof.
Daarom werd al lang ieder graf na dertig jaar geruimd. Voor ieder graf maakte de plaatselijke timmerman een houten kruis. Hij schilderde op een plankje dan de naam van de dode en een tekst die altijd begon met de woorden: “Hier rust in vrede…”
Hoog van uit de “bergen” klatert een bergbeek het dal in. In 1878 werd door het stromend water een korenmolen in werking gezet. Het geluid daarvan mengde zich harmonisch met het geloei van de koeien en het gekakel van de kippen.
Nadat het water zijn werking op het schoepenrad had gedaan vloeide het door de beek verder onder de spoorlijn door.
Maar in ongelooflijke korte tijd is deze samenleving totaal verandert.
In het dorp is overdag vrijwel geen mens meer te zien. Iedereen gaat met de auto naar het werk in de industrie en komt pas `s avonds of vaak alleen in het weekend naar huis. Ook de vrouwen gaan werken buiten het dorp met eigen auto, de kinderen worden dan naar de crèche of bij de oppas gebracht. Jonge mensen trekken weg van het dorp. De stallen van de boerderijen staan leeg. Geen dier is er meer te bekennen. De haam van het paard en diverse andere agrarische werktuigen hangen als stille getuigen en als decoratie tegen de muren van de boerderijen en ook tegen het molenhuis. De watermolen maalt al lang niet meer, alleen het water stroomt nog altijd dag en nacht uitnodigend via de goot door het molenhuis en klatert met een vrije val van meer dan zes meter hoog in de beek en vloeit dan onder de spoorlijn door naar moeder Maas. Er komt geen beest meer zijn dorst lessen. De dorpsschool is nu in het centrum van het dorp. De vaste dorpspastoor is vervangen door een rondreizende geestelijke die meerdere gemeenschappen bedient, en op zondag zitten er niet veel meer dan zestig mensen in het oude kerkgebouw. Nu is ook het postkantoortje verdwenen als slachtoffer van de schaalvergroting der P.T.T. Het was niet meer rendabel. Om dezelfde reden is de Boerenleenbank, thans Rabobank geheten, uit het dorp vertrokken. Als alternatief is de “muurbank” gekomen. De bakker, melkboer en de schoenmaker zijn al een hele tijd verdwenen.
Het spookachtige is echter dat alles nog net zo uit ziet als vroeger. De stallen zijn er allemaal nog. Binnen de muren kleeft zelfs nog de opgedroogde mest. Zelfs de houten tandwielen van de watermolen zijn er nog. Het lijkt alsof de boeren en de dieren alleen even pauze houden en elk moment weer kunnen terugkeren. Maar dat gebeurt niet. Zij zijn weggevaagd door de tijd die wordt gesymboliseerd door het televisielicht dat `s avonds door de ramen van de huizen naar buiten straalt.

J.Maassen.


De bronnen in het hellingbos.

Enige tijd geleden hebben we in enkele artikelen de vroegere drinkwatervoorziening in ons dorp toegelicht. Naar aanleiding van die artikelen is er de vraag van een lezer: hoe ontstaan de vele bronnen in het (langgerekte) hellingbos van Geulle? Een toelichting.
De vele bronnen hebben alles te maken met de geologische opbouw van de ondergrond en de aanwezigheid van een langgerekte helling welke gevormd is door de uitschurende werking van de (oer)maas. De combinatie van beide, de geologisch opbouw én de helling, zorgen in het beneden gedeelte van de helling voor massale afwatering in de vorm van bronnen. Voor een goed begrip van het (water)proces dat in onze ondergrond plaats heeft, staan we eerst stil bij de geologisch ondergrond van Geulle. Indien men vanaf maaiveld hoogterras (Moorveld/Hussenberg) de grond ingaat komt men achtereenvolgens tegen:
1. Een löss/leem-pakket dat afgezet is tijdens de ijstijden, een half miljoen jaar geleden tot 10.000 jaar voor Christus. Er zijn vier ijstijden geweest, afgewisseld met perioden dat het weer milder was. De mildere periode wordt aangeduid als interglaciaal, het tijdvak tussen twee ijstijden. Tijdens de ijstijden massale ijsvorming op het noordelijk halfrond (gletsjers, landijs); zó veel zelfs dat de Noordzee droog kwam te liggen. Met ijskoude noordenwinden over de zand- en kiezelgronden van de droge Noordzee worden grote wolken fijn stof tot in onze gebieden getransporteerd; het stof dwarrelt neer als löss. Waar de löss-laag aanwezig is, varieert die in dikte van enkele tot 10 meter; de grondsoort ontbreekt doorgaans in rivierdalen als gevolg van uitspoeling en op hoge punten in het landschap (Puth Schinnen en Banenheide).
2. Onder de löss een dikke laag maasgrind die gedurende het pleistoceeen (tot twee miljoen jaren geleden) afgezet werd door de oermaas. Met de oermaas vergeleken is onze huidige maas een kabbelend stroompje. Mede als gevolg van de grote stromen smeltwater na iedere ijstijd raasde die oermaas als een woeste Roeland over Nederlands en Belgisch Limburg. Een dik grindpakket van 15 á 20 meter is het resultaat. Een grindpakket dat zéér gewild is in de bouw en bij de wegenaanleg. De löss en grindlagen zijn gevormd gedurende het geologisch tijdvak het kwartair.
3. Onder het dikke grindpakket bevindt zich een dunne kleilaag die afgezet werd gedurende het oligoceen, zo'n vijf miljoen jaar geleden. Het kleilaagje is dun maar taai. Het is een niet water doorlatende laag die alle van boven doorsijpelend water opvangt. Aan de bovenzijde van de waterkerende oligocene kleilaag wordt het grondwater afgevoerd naar een niveau in de helling waar de oligocene kleilagen dagzomen (d.w.z. dáár waar de kleilaag in de helling naar buiten komt). En wat zien we daar? De bronnen. Soms grote maar doorgaans vele kleine waterloopjes die vanuit de helling opwellen. Bij meer nauwkeurige waarneming ziet men het water met kleine zandwervelingen uit de ondergrond op-bubbelen.
De bronnen ontstaan als het regenwater door de löss- en het dikke kiezelpakket is gesijpeld en stuit op de waterkerende oligocene kleilaag. Vanaf dat moment wordt het grondwater via de waterkerende laag afgevoerd naar het punt waar de kleilaag in de helling dagzoomt, d.w.z. daar waar de laag in de helling aan de oppervlakte komt. Vanaf het hoogterras bezien zit de waterkerende laag op een diepte van ongeveer 32 meter. Dat verschilt plaatselijk, al naar gelang men zich aan de rand van het hoogterras of verderop bevindt. Goede waterputten 'op de berg' hebben namelijk een diepte van rond de 33 meter (de diepte waarop het grondwater afgevoerd wordt). Behalve de top-down-benadering via de waterputten kan men ook op zoek gaan naar de afwateringsplek in de helling, namelijk daar waar de bronnen zijn. Deze bevinden zich globaal op ongeveer (van bovenaf gezien) tweederde van de helling. Die aanduiding is misschien wat erg vaag. Daarom maar een hulpmiddel uit de geologie, het begrip typelocatie. Een typelocatie is een voor een bepaald geologisch verschijnsel (in deze: het grondwater) kenmerkende plek. In het hellingbos zijn enkele plekken met zó veel opwellend water, dat de mens daar eeuwen lang water uit heeft kunnen putten. De meest bekende waterputten zijn: het waterputje in de Breuk (in het verlengde van het Bospad naar beneden) en de Klaos put (onder de Bloemberg). Een andere bron is duidelijk te zien in de helling van de Snijdersberg waar in de bocht bij de spoorlijn (tegenover het vroegere café Keessie) het water aan de noordzijde van de weg via een buis naar buiten stroomt. Dit punt in de Snijdersberg kan wel het best aangeduid worden als 'typelocatie voor grondwater'. Enkele meters boven de afwateringsplek in de Snijdersberg bevond zich tot midden de jaren vijftig van de vorige eeuw namelijk een kiezelgroeve en net onder het kiezelpakket bevindt zich zoals hiervoor beschreven het ondoordringbare oligocene kleilaagje. Vandaar dat op dit punt de afwatering uit de helling plaats heeft. Bij vergelijking ligt het afwateringspunt in de Snijdersberg even hoog boven de spoorlijn als de Klaos put. Op de hoogte van de denkbeeldige lijn tussen beide punten waterafgifte-plaatsen zullen dan ook de meeste bronnen gezocht moeten worden. Maar enige variatie naar plaatselijke (ondergrondse) omstandigheden blijft natuurlijk mogelijk, mede doordat de ondergrond van Nederland licht naar beneden helt in een lijn van Zuid-Oost naar Noord-West. Die (flauw) hellende lijn is al te zien in de vuursteenlagen in de kalkgroeven.
Onze briefschrijver meldt dat hij in zijn tuin net onder de spoorlijn een zandbeek heeft. Dat klopt. In het oligoceen zijn behalve de geen water doorlatende kleilaag voor en na nogal wat zanden afgezet. Zanden die door het grondwater worden meegevoerd en zo in de beken terecht komen. De zanden zijn er oorzaak van dat de waterlopen onder de spoorlijn nogal eens verzanden, reden waarom er in de laatste jaren aan de bovenzijde van de spoorlijn grote buffers zijn aangelegd voor opvang van het zand.
Tot zo ver deze korte verhandeling over ons grondwater dat nimmer 'op' raakt. Het plateau van Schimmert zorgt namelijk voor een nimmer aflatende waterstroom.

Paul Notten, Moorveld.


Politie varia

  • In de nacht van zondag 16 juni op maandag 17 juni werd vanaf een erf aan de Koekoekstraat een grote betonnen bloembak ontvreemd.
  • Op zondagnacht 23 juni werd er melding gemaakt van geluidsoverlast in de buurt van de Koekoekstraat.
  • Op maandag 24 juni werd er tussen 16.30 en 17.00 uur ingebroken in een personenauto op de parkeerplaats van het zwembad aan de Andreas Sauerlaan. Ontvreemd werd een autoradio.
  • Op donderdag 27 juni werden tussen 12 en 14 uur vanuit een bedrijfswagen langs de Kanaalweg een bosmaaier, een motorzaag en twee oprijplaten onvreemd.
  • Tussen donderdag 27 juni en vrijdag 28 juni werden uit de keet van de visvereninging een cementmolen en drie speciekuipen ontvreemd.
  • In dezelfde nacht werd ingebroken in een vrachtauto op de Burg. Thijssenlaan. Ontvreemd werd een radio/CD-speler.
  • Dit jaar was het tijdens de Kiezelfeesten aan de overkant van de Maas weer prijs met meldingen van geluidsoverlast. In de nacht van zaterdag 6 op zondag 7 juli werden diverse telefoontjes hierover ontvangen. In eerste instantie werden ze toegeschreven aan een examen fuif.
  • Tussen vrijdag 12 en zaterdag 13 juli werden twee auto’s vernield te Aan de Maas. Dit werd gedaan met een paal van de afrastering.
  • Tussen maandag 22 en dinsdag 23 juli werd ingebroken in een woning aan Westbroek. Ontvreemd werden geld en juwelen.

Brig. Giesen



Geulle 50 jaar geleden……
Augustus 1952

- De Augustusmaand is de oogstmaand. Het fruit, met name de pruimen zijn volop verkrijgbaar. Ze rotten gewoon op de bomen omdat de prijzen bij de veiling zeer laag zijn en het niet meer loont om ze te plukken, terwijl ze op markt in Maastricht duur betaald moeten worden.
Op de velden staan het koren en de tarwe er zeer goed bij en het belooft voor de boer een goed jaar te worden.

- De toeristen in Geulle vermaken zich opperbest. Dit jaar heeft Geulle opnieuw veel mensen op vacantie. De V.V.V. heeft goed werk verricht en de toekomst ziet er rooskleurig uit. Het wordt daarom tijd dat in Geulle meer overnachtingen kunnen gaan plaats vinden.

- Op 30 Augustus heeft de heer J. Kerckhoffs en Zn. een nieuwe zaak in ijzerwaren en huishoudelijke artikelen geopend.

- De heer A. Nijsten is naar Canada vertrokken en wil zijn vrienden en vijanden een hartelijk vaarwel toeroepen.

- De heer W. Rutten is tijdens de raadsvergadering definitief benoemd tot ontvanger der Gemeente Geulle. De aanbeveling luidde:
1. W. Rutten
2. J. Aussems uit Bunde.
Na de opening van de stembriefjes blijkt dat op de heer Rutten 5 stemmen zijn uitgebracht en 1 blanco. De heer Kurvers was niet ter vergadering aanwezig. De nieuwe ontvanger wordt hierna in de vergadering beëdigd en door de voorzitter gefeliciteerd. De heer Rutten dankt de vergadering voor het in hem gestelde vertrouwen.
De voorzitter geeft nog een kort overzicht van de gehouden besprekingen met de N.S. over de zandafdrijving en de door B. en W. genomen maatregelen.

Hein Peters


Wie veer vreuger speelde

Es ich noe op önne verjaordig van de kènger kôm staon ich verbaas euver de massaas speelgood woi de kènger de besjikking euver höbbe. Wie veer jonk waore hauwe veer meistes mér ö paar dinger die veer meistes mèt Sinterklaos gekreege hauwe. Öt waore gein duur en ouch gein ingewikkelde dinger. Ö houte kérke, ö houte paerdsje, ö pöpke, get krelkes, ö niëkiske, get huuve, ö blokkedwuöske, ö veelke (mondharmonica), önne kokkerel, ön bromtol, ö paar leime sjwoin geverfde seldäötsjes, ö paar ootokes dieste kôsj opdriëje, mens erger je niet, halma of ganzebord, Dan hastet waal gad.
Toch woor dao väöl mèt gespeeld mèt anger kènger, breurkes en zusterkes, kammeräötsjes en buurjonges of buurmaedsjes. Es good waer waor woor väöl boete gespeeld. De jônges hauwe de ruumte opte straot. Doe waor nog gei snelverkièr, hwuögstes ö paar fietse en ön boerekar.
Dao waor väöl gevoetbald sôms mèt eine egte bal ,oette Hema, van ö kwartsje. En estae kepôt waor woor van ei paar ouw kèzètte mèt get touw önne bal gefabriseerd.
De has eine tied dat eederei ön reip hauw, meistal de velling van ö fietsraad of önne iezere band van ein auw tôn.
Ouch huuve woor väöl gedaon . Dao bestinge allehande varejaasjes, mèt of zônger kuulke. Ouch kleijke gwoie woiste moosj perbeere de stein van önne angere te raake, mèt of zônger kuulke of streep. En estao öt nuuts vanaaf waor kaome de kôkkerelle, die mèt ein smik op gang gehauwe woore. Verstöpperke speele, veer zagte koeverstaeke, kôsj hiël spannend zin. De has euveral mögelikhaede um dich te verstaeke zwoi tatste dèk lang gezeuk kôsj waere. Vanteveure woor waal al gezag wie wietste van de “pot” aaf moosj blieve. Tösje de buim opte gemeinte woor euverluiperke gespeeld.

Op ei teike moosj eederei ziene boum verlaote en eine angere boum opzeuke. Dae öm waor moosj dan perbeere zellef eine boum te vènge.
Netuurlik waor bökske sprènge egget veur jônges méh dao waore ouch maedsjes die dao verstand van hauwe. Hiël bekend waor öt “baare”. Ö speel van euverloupe woiste moosj perbeere eine dae perbeerde euver te loupe aaf te tikke. Dae öt iëste oetkaom moosj maake tatter trök kaom. Dae getik waor moosj op ön plek staon wachte totter door tikke bevried woor. Doorluiperke waor invoudiger. Es eine agter nao gezaete woor kôsj den angere tösje doorloupe. Dan moosj dae door den achervolger naogezat waere.

De maedsjes speelde väöl mèt prikballe, of met drie klein belkes woi ze allerlei varejaasjes mèt klappe veur oetgevônge hauwe. Ouch speelde die väöl in eine kringk, zakdooklègke, plaats verwissele mèt tikkerke, mèt eine blènddook eine aanwieze, dae zich verreurd hauw en allerlei anger dinge zörgde veur väöl aafwisseling . Naoluiperke woor ouch väöl gedaon De varejaasje este op d,n huuke zaots dich neet getik kôsj waere kôsj hiël spannend zeen.
Ester ö nuu kènd oet ön anger plaats op de sjwoil kaom, brach tat dèk ouch weer ö nuu speelke mèt. Tuike sprènge besting ouch in allerlei vörme. Dat deege veural de maedsjes väöl.
De jônges hauwe ze gaer um de touw de driëje. Van tuike sprènge hauwe de meiste neet väöl kiës gaete . Waal van hwoig sprènge euver ein touw haer. De touw woor dèk aan eine kant van önne boum vastegemaak en aan den angere kant door önne jông vas gehauwe. Dae kôsj dan op tied de touw los laote ester eine de taenge aan gesprônge woor.

In ôzze jônge tied hauwe veer in ôs dörrep alle ruumte um te speele, veural umtatter haos gei verkiër waor. En esset sleg waer waor of esset vreug duuster waor kôsj ouch binne gespeeld waere. Dan woor aan de taofel gespeeld mèt kaarte, halma of “mens erger je niet”. Ouch waor gezônge of geloesterd nao verhaole oeten auwen tied. Die ginge dèk euver hekse, spwoike, geraemsje, auvermennekes, bokkeriërs, taters en woirzègkers. Dao waor neet väöl gelaeze. Öt leech van de petrolslamp waor dao neet zwoi gesjik veur. De waors al blie este de vraoge van de Kristelièr van boete kôsj lière, want tat stông ouch eederen daag op öt pregram. Van laat opblieve waor gein spraoke. De moosj op tied nao bèd um smurges weer vreug opte kènne. Den kammeraote woore dan ouch op tied heives gesjik veurdat de rwoizekrans gebaed woor.
De hoofdes opte lièger sjwoil gelökkig gei hoeswerrèk te maake. Dat zouw ouch lestig gaon want dèk woore de kènger opte boerderie aan öt werrèk gezat. Dan waor ouch geine tied um te speele al deegste dat nog zwoi gaer. Méh sôms waor neet väöl te doon.
Dan trokste drop oet mèt tiene kammeraot. Dan gingste voetballe in de Bat of opte Moor. of de maakdes dich önne wiëjer (vlieger) um dae opte Greend opte laote. Bie sjwoin waer waor altied nog genôg weint um häöm de loch in te kriege mèt höllep van dien kammeraote netuurlik. De wiëjer woor neet gegôlle méh gemaak van dun bamboestekskes en ö vel klatspepier van bie de slegter. Pleksel maakde veer van bloom en water. En esser klaor waor woor hae oetgeperbeerd. De start waor ö tuike mèt ö vrungkske kezèttepepier. Öt laog aan de weind wieväöl strikskes pepier draan moosjte. Esset helder weinde deegste ongeraan ö stèl reinvaare want dae waor good zwoir en zörgde dat de wiëjer neet op zunne kôp ging staon.
Vösje waor get veur de auwer luu. Dao waore mekans gein jônges die öt geduld kôsjte opbrènge um oerelangk nao ö döbberke te zitte kieke. Ze deege öt waal ins en waore dan grwuötsj esse ön hamfel vösj mèt heives nômme. Dan waor vösje in de baek väöl fijner.
Dan trôkke ö stèl jônges naevenei taenge de stroum in door de baek op um veur den duuker door önne angere mèt ö sjöpnètsje droet te laote wippe. Dan woor waal ins önne ummervol droet gehaold. Bie de sjaopskoel deege veer get anges. Veer lagte ö diekske in öt baekske en leete daoveur öt water in die deepe koel zakke. En dan ginge veer eeder in ön rie vlak naeveei + mèt ö sjöpnètsje en jooge de vösj nao ön plek woi öt water hiël ondeep waor. Dao zaogste ze gewoon blinke en hoofdeste mér te sjöppe. Dan haolde veer ummere vol droet. Es veer väöl hauwe zeukde veer de sjwoinste droet en brachte die nao de pestwoir, dae dao waal ö kwartsje veur euver hauw en dat deilde veer iërlik saame.
Bie Sjang van Nölke ginge veer ouch dèk hellèpe. Veer deege häöm de aerappele oet en ginge häöm ongertösje aan de wiemere of aan de ringelaote. Veer hôlpe ouch den ougs inhaole. Veer vônge öt geweldig um baove opte ougskar euver de veldwaeg te sjôkkele. Veet moosjte ôs waal good vas hauwe um neet draaf te valle. En Sjang waor blie tatter zwoi väöl knegte hauw um den ougs in de sjuur te berme. Hae zag waal wie öt moosj en zwoi deege veer dat dan ouch. Veer daege dat gaer en veer maakde ôngertösje toch nog hiël get plezeer.
En es ich noe truk dènk aan daen tied van mien jeug dan wôl ich bès dae tied nôg ins mètmaake. Mèt plezeer dènk ich nôg dèk truk aan mien kammeraote, woi ich zwoiväöl leuke herinneringe aan bewaard höb.

Mar/B


Mededelingen

- Een aantal leden van de Heemkunde-vereniging en abonnee’s van de Sjakel hebben hun lidmaatschap cq. abonnement nog niet overgemaakt. Bij deze willen wij deze personen verzoeken dit alsnog te doen.

- In september begint de Heemkunde-vereniging weer met haar werkmiddagen en – avonden:
-Donderdag 12 september 2002, 19.30 - 22.00 uur, werkavond in De Gruffeldwois.
-Woensdag 18 september 2002, 13.30 uur, werkmiddag in De Gruffeldwois.



In de heer zijn overleden
  • Op 31 mei 2002 op 73-jarige leeftijd, Hans van Steenis, echtegnote van Ir. N.C. van Steenis, Snijdersberg;
  • Op 25 juli 2002 op 53-jarige leeftijd, Evelyne Daemen, echtegenote van Jos Urlings, Hussenbergstraat;
  • Op 3 augustus 2002 op 55-jarige leeftijd, Jo (Thies) Peerbooms, echtgenoot van Tiny Boogers;
  • Op 10 augustus 2002 op 69-jarige leeftijd, Huub Kockelkorn, echtgenoot van Desiré Kurvers.


Pieke junior uit de Piemelehoek

Van onze vaste medewerker Pieke jr. ontvingen wij vanaf zijn vakantieadres een kaartje met het verzoek om dit deze maand in de Sjakel te plaatsen. (red.)


 
Copyright © 1999-2016. 'Groeten uit Geulle' is een uitgave van de Heemkundevereniging Gäöl.